VOYAGE NR: 0226.1
NAME OF VESSEL: Hoorn
 
Eén van de bekendste VOC-dienaren is stellig schipper Willem IJsbrantsz Bontekoe (1587-1657). Hij is bekend geworden door het tientallen malen herdrukte, bewerkte en vertaalde boek 'Het Journael of de gedenkwaerdige beschrijvinghe van de Oost-Indische Reyse van W.Y. Bontekoe van Hoorn, begrijpende veel wondelijke en gevaerlijcke saecken hem daar in wedervaren'.

 

De man die als geen ander zijn stempel op de organisatie van de VOC in Azië heeft gezet, was Jan Pieterszoon Coen. Geboren in Hoorn, in hetzelfde jaar als Bontekoe, was hij, zoon van een koopman, voor de handel voorbestemd. Op zijn twintigste, in 1607, vertrok hij voor het eerst naar Oost-Indië. Nauwelijks tien jaar later had hij er als gouverneur-generaal het hoogste gezag.

Hij besloot Bantam te verlaten en van Jacarta de hoofdvestiging van de VOC te maken. Daartoe moest hij de Engelsen uit die plaats verdrijven en de troepen van de Sultan van Bantam verslaan. Dat lukte en er werd direct begonnen met de bouw van een groot fort en de aanleg van een kleine Nederlandse stad, die de naam Batavia kreeg.

De gevechten waren daarmee nog lang niet afgelopen. Coen wilde voor de VOC een zo groot mogelijk deel van de Aziatische handel veroveren, en een monopolie verwerven voor de handel in specerijen. De handel op China, vooralsnog stevig in handen van de Portugezen, wilde Coen tot een exclusieve VOC-aangelegenheid maken. Chinese zijde leverde in Japan namelijk veel geld op, waarmee de VOC elders weer produkten voor de Europese markt kon inkopen.
Coens doortastende politiek betekende veel strijd met de Portugezen, de Spanjaarden en de Engelsen. Coen klaagde in zijn brieven aan de Heren XVII, de directie van de VOC in Nederland, voortdurend over het gebrek aan middelen om de plannen door te voeren. Wat hij nodig had, waren schepen, soldaten, wapens en munitie. Daarmee kon hij de macht van de VOC uitbreiden en de handel veiligstellen.

Al luisterden de Heren XVII volgens Coen niet goed genoeg naar hem, ze probeerden wel aan zijn wensen tegemoet te komen. Met de Decembervloot van 1618 wilden ze 675 soldaten meesturen en vooral het schip NIEUW HOORN met zijn lading van onder meer 360 vaten buskruit, zou Coen bijzonder welkom zijn. In een vloot van elf schepen vertrok de NIEUW HOORN op 28 December 1618 van de rede van Texel. Bontekoe was als schipper verantwoordelijk voor de navigatie, maar voerde niet het commando over het schip; dat was bij de VOC in die tijd in handen van de koopman.

Hein Rol was de koopman die boven Bontekoe stond en het opperbevel voerde. Voor de goede gang van zaken aan boord was het dus van groot belang dat de schipper en de koopman goed met elkaar konden opschieten, ondanks de zeer verschillende, soms zelfs tegenstrijdige belangen die zij behartigden. Bontekoe en Rol konden het gelukkig redelijk goed met elkaar vinden, maar de schipper schroomde niet tegen een besluit van zijn meerdere in te gaan als hij het er niet mee eens was.

Het eerste deel van de reis verliep niet vlekkeloos, in een zware storm scheurde de grate mast en dreigde overboord te gaan, maar doordat de opvarenden snel en handig ingrepen, kon de tocht naar Kaap de Goede Hoop zonder veel problemen worden voortgezet. Het was sinds 1617 voor alle VOC-schepen verplicht om in de Tafelbaai bij Kaap de Goede Hoop vers voedsel en drinkwater in te slaan.

De schepen konden daarna in één keer naar Indië zeilen via een nieuwe route. In plaats van de Indische Oceaan met een noordoostelijke koers over te steken, moesten de schepen voortaan eerst iets afzakken naar het zuiden, totdat ze rond 35° zuiderbreedte in de westenwindgordel kwamen. Pas na duizend mijl moest dan een noordoostelijke koers gekozen warden, zodat de schepen precies onder Straat Sunda uitkwamen. De grote voordelen waren, dat de reis zo'n drie maanden korter duurde, en dat de bemanning gezonder aankwam.

De NIEUW HOORN, de ENKHUIZEN en de NIEUW ZEELAND, die de andere schepen van de vloot allang uit het oog verloren waren, rondden de Kaap echter zonder die aan te doen. Er stond een harde westenwind, die het erg gevaarlijk maakte om de Tafelbaai in te zeilen. Omdat het eerste deel van de reis slechts vijf maanden had gekost, waren er nog maar weinig zieken en was er voldoende drinkwater aan board. De scheepsleiding vond het geen bezwaar om door te zeilen. Ondanks hun instructie om de westenwindengordel op te zoeken, zeilden de schepen gewoon door naar het oosten. AI snel nam de ENKHUIZEN afscheid en zette koers naar het noorden; de bestemming was de oostkust van India. Even later koos oak de NIEUW ZEELAND een andere koers. Dit schip wilde iets zuidelijker aansturen dan de NIEUW HOORN.

Bontekoe en Rol hadden inmiddels te kampen met veel scheurbuikpatienten. Zij besloten naar Madagascar te gaan om alsnog te verversen. Aan land komen bleek nog niet zo gemakkelijk, en na een vruchteloze poging werd doorgezeild naar een eilandje dat Bontekoe Maskarenas noemde, en dat tegenwoordig Réunion heet. De NIEUW HOORN bleef er 21 dagen liggen om de voorraden te verversen en de zieken op de been te helpen.

De bemanning droeg gedurende die tijd haar steentje bij aan de uitroeiing van de dodo, een grote loopvogel die alleen op Mauritius en Réunion voorkwam. Ondanks hun lange verblijf op het eiland waren veel zieken nog steeds niet hersteld toen de NIEUW HOORN van Réunion vertrok. Daarom keerde het schip terug naar Madagascar. Bij het eilandje Sint Maria, dicht onder de kust, werden de zieken weer aan land gebracht, en zette de bemanning een levendige ruilhandel op met de Madagassen. Na een verblijf van slechts negen dagen voelden de zieken zich zoveel beter, dat Rol en Bontekoe op 8 september besloten aan het laatste stuk van de reis te beginnen.

Ze hadden van eind mei tot begin september slechts 3000 kilometer afgelegd en hadden dus veel tijd in te halen. Om alsnog, zoals de zeilinstructie voorschreef, van de westenwind te profiteren, zakte het schip af naar 33° zuiderbreedte en hield vervolgens een oostelijke koers aan.

Twee maanden na het vertrek van Madagascar, op 19 November 1619, had de NIEUW HOORN haar bestemming nagenoeg bereikt. Ondanks de scheurbuik-epidemie waren onderweg slechts zeventien mannen overleden. Het verversen had weliswaar wat lang geduurd, maar elf maanden was voor een heenreis niet buitensporig lang. Met gunstige wind zou het hoogstens een week duren, voor het schip bij Bantam arriveerde.

Zoals elke middag daalde botteliersmaat Keelemeyn ook die dag af naar het ruim om zijn vaatje brandewijn bij te vullen. In de krappe, onverlichte ruimte prikte hij zijn kandelaar in een vat brandewijn, vlak boven het vat waaruit hij tapte. Toen hij klaar was en zijn kandelaar lostrok, viel een gloeiend stukje kaarsepit precies door de sponning in het open vat, dat meteen explodeerde. Brandende brandewijn stroomde naar beneden, naar de opslagplaats van de smidskolen, maar de alerte botteliersmaat wist de brand met twee kannen water te blussen.

Bontekoe liet meer water aanrukken en bleef nablussen, totdat iedereen er zeker van was, dat er geen gevaar meer dreigde. Nauwelijks was Bontekoe weer boven, of er werd voor de tweede maal alarm geslagen. De kolen waren blijven smeulen, en hadden weer vlam gevat. Met veel water probeerde Bontekoe het kolenvuur te blussen, maar de verstikkende rook die hij daarmee veroorzaakte, maakte het werk erg moeilijk.

Uit voorzorg wilde hij het buskruit overboord laten zetten, maar dat wilde Hein Rol niet toestaan. Terwijl tientallen angstige opvarenden het schip al verlieten en zich stiekem in de uitgezette boot en sloep hesen, probeerde Bontekoe samen met een paar timmerlieden gaten in de scheepshuid te boren om het zeewater de brand te laten blussen. Ze kwamen er echter niet doorheen.

Het vuur had nu de olievaten bereikt, en samen met het bluswater zorgde dat voor een vlam-in-de-pan effect. Toen sloeg de brand in de kruitkamer en het schip 'sprongh aen hondert duysent stucken'.

Van de 119 mannen die nog op de NIEUW HOORN waren, overleefden slechts twee de explosie: schipper Bontekoe en Hermen van Kniphuysen, een Duitse scheepsjongen. De rest werd 'aan hutspot gheslaghen, dat men niet en wist waer een stuck bleef'. De zeventig laffe deserteurs in de boot en de sloep, die Bontekoe in zijn woede zelfs nog had willen overvaren met het brandende schip, bleken nu zijn redding te zijn.

Noch in de negen meter lange boot, noch in de iets kleinere sloep, was een kompas, kaart of navigatie-instrument. Masten waren er wel, maar touw en zeilen ontbraken en niemand had eraan gedacht voldoende water en voedsel aan boord te brengen. Ondanks zijn ernstige verwondingen nam Bontekoe de leiding, tot opluchting van de ontredderde schipbreukelingen. Aan Hein Rol, die zich tijdens het gevecht tegen de brand had laten overhalen om aan boord van de boot te gaan, hadden ze nu niet veel. Ze moesten vertrouwen op Bontekoe's improvisatietalent en dat bleek fenomenaal: hij liet de van touw gevlochten stootkussens uitpluizen om aan zeilgaren te komen. Van de hemden van de inzittenden werden daarmee zeilen genaaid. Samen met de timmerman knutselde hij een graadboog in elkaar en in een bank sneed hij een windroos en een paskaart van de Indische Oceaan waarin hij dagelijks de koers uitzette. De mannen in de sloep hadden niemand bij zich die iets van navigatie wist en waren daarom bang van de boot af te raken. Bontekoe nam ze aan boord. De lege sloep liet hij wegdrijven.Het brood was allang op en de 72 wanhopige mannen waren geheel aangewezen op elkaar, en op de voorzienigheid. Als wij Bontekoe's Journaal mogen geloven, wierp zijn Godsvertrouwen vruchten af. Wanneer de dorst ondraaglijk werd, begon het te regenen. Toen de mannen aan hun honger dachten te bezwijken waren daar plots laagvliegende meeuwen en langsscherende vliegende vissen die zich zomaar lieten grijpen.

Naarmate de dagen verstreken werd de stemming somberder. Bontekoe werd niet meer geloofd wanneer hij zei dat de kust nu zo dichtbij was dat ze hem morgen zeker zouden zien. De hongerige mannen besloten de scheepsjongens te doden om hun bloed te drinken en hun vlees te eten. Bontekoe wist drie dagen uitstel te bedingen en juist toen die verstreken waren, kwam er, dertien dagen na het vergaan van de NIEUW HOORN, eindelijk land in zicht.

Op een eilandje voor de Sumatraanse kust aten de mannen zich ziek aan kokosnoten, maar toen ze weer wat opgeknapt waren, voeren ze verder, tot ze op het vasteland een goede plaats zagen om aan land te gaan. Een eindje landinwaarts was een dorpje. De inwoners die ze ontmoetten waren in eerste instantie bereid om rijst en vlees aan de Nederlanders te verkopen, maar van de ene dag op de andere sloeg de stemming om. Toen Bontekoe in zijn eentje, begeleid door twee Sumatranen, in een prauw van het dorp naar kust terug werd gebracht, voelde hij dat er iets broeide. Zelf nauwelijks bewapend, kon hij zich tegen de twee tegenstanders nooit verdedigen. Met gezang wist hij de mannen echter zo lang af te leiden, dat hij heelhuids zijn metgezellen bereikte. Kort daarna pleegden de Sumatranen een aanslag op de schipbreukelingen.

Met zestien man minder zeilde de boot langs de kust verder, tot Straat Sunda in zicht kwam. De eindbestemming was nagenoeg bereikt.

Frederik de Houtman, bevelhebber over een grote vloot die Bantam zou gaan belegeren, wist niet wat hij zag toen op 13 December 1619 Bontekoe's boot in zicht kwam. Het kleine vaartuigje met vreemde zeilen, uitpuilend met 56 inzittenden deed het ergste vermoeden, en inderdaad hoorde hij niet lang daarna uit de mond van koopman Hein Rol het hele verslag van de verschrikkelijke explosie en de moeizame tocht langs de kust van Sumatra.

Bontekoe en Rol werden naar gouverneur-generaal Coen in Batavia gebracht. De twee leeftijdgenoten uit Hoorn herkenden elkaar niet, Coen was al tien jaar weg uit zijn geboorteplaats maar na de eerste kennismaking ontving Coen het onfortuinlijke duo bijzonder gastvrij. Op het verslag van de schipbreuk was Coen's reaktie kort: 'Wat helpt dat, het is een groot ongeluk'. Het enige dat hij Bontekoe en Rol verweet, was het feit dat ze zich niet aan de zeilinstructie hadden gehouden en dat ze veel te lang bij Madagascar hadden rondgehangen.

In een brief aan de bewindhebbers in Nederland drong hij er later op aan dat aan die instructie strikt de hand gehouden werd. Zijn suggestie om dergelijke branden te voorkomen, niet lang daarvoor was namelijk een ander schip hetzelfde overkomen, was het verbieden van brandewijn op VOC-schepen. De Heren XVII, die dat advies wat te drastisch vonden, maanden de scheepsleiding in het vervolg tot voorzichtigheid met open vuur bij de brandewijn.

De overlevenden van de NIEUW HOORN raakten waarschijnlijk verspreid over de VOC-vloot in Indië; uit niets blijkt dat Bontekoe zijn mannen ooit nog terug zag. Sommigen zullen gesneuveld zijn in de strijd, anderen geveld door een tropische ziekte en slechts een handjevol zal het vaderland hebben teruggezien. Eén man bleek ruim veertig jaar later nog steeds bij de VOC in dienst te zijn. Toen in 1661 het schip TERSCHELLING bij de Bengaalse kust schipbreuk leed, was de oude koksmaat 'Pay Harmen' één van de overlevenden. Hij was de scheepsjongen die samen met Bontekoe de explosie van de NIEUW HOORN overleefde en de gewonde schipper in veiligheid had gebracht.

Niet lang na hun kennismaking met Coen werden Bontekoe en Rol somen op een ander schip geplaatst. De oude en vrij kleine BERGERBOOT bleef twee maanden in de buurt van Batavia en Bantam om koraalsteen naar Batavia te transporteren. Daarvan werd een groot fort gebouwd, het 'Kasteel Batavia'. In Maart 1620 vertrok de BERGERBOOT in een vloot van zeven schepen naar de Molukken. Hein Rol bleef daar als koopman achter, wat Bontekoe erg jammer vond, want ze waren na hun gezamenlijke ontberingen goede vrienden geworden. Na een tocht van ruim zeven maanden was de BERGERBOOT terug voor Batavia. Weer bleef het schip daar twee maanden in de buurt om stenen te verschepen.

Vrij onverwacht kreeg Bontekoe op 5 December 1620 een nieuw schip onder zijn commando. De GRONINGEN was met een ruziënde scheepsleiding uit het vaderland gekomen en om de zaak te onderzoeken werden de koopman en de schipper van boord gehaald. Bontekoe was blij met dit mooie nieuwe schip. Omdat het net aankwam, had het nog allerlei proviand die op de BERGERBOOT allang op was en die een welkome afwisseling vormde na het eentonige rantsoen van rijst, vis en kip.

De GRONINGEN was bestemd voor de vaart binnen Azië; de VOC had permanent ruim twintig schepen in de archipel die de vestigingen bevoorraadden, specerijen ophaalden en naar Batavia brachten. De eerste twee 'intra-aziatische' reizen van de GRONINGEN gingen naar Jambi op de oost-kust van Sumatra om peper te halen. In November 1621 arriveerde Bontekoe weer voor Batavia.

Coen had inmiddels het plan opgevat om een grote vloot naar de Chinese kust te sturen en de GRONINGEN zou van die vloot deel uitmaken. In afwachting van het vertrek kruiste het schip wat door de Javazee en Straat Sunda, en haalde stenen voor het fort Batavia. Bontekoe was nu drie jaar in dienst van de VOC en zijn contract liep af. Hij besloot nog niet naar huis terug te keren, maar tekende voor twee jaar bij, voor een gage van honderd gulden per maand.

De Portugezen, gevestigd in de havenstad Macao, beheersten tot dan toe de Chinese zijdehandel. Om die in eigen handen te krijgen, koos Coen recht-door-zee voor een aanvalsstrategie. Macao overmeesteren was het eerste doel van de expeditie. Een nog te bouwen fort op de Pescadores, de eilanden tussen China en het huidige Taiwan, moest het strategische punt worden om de handel tussen China, Japan en de Filippijnen onder controle te krijgen.

Onder commando van opperkoopman Cornelis Reijersz vertrokken op 10 April 1622 twaalf schepen naar de Chinese kust. De GRONINGEN was in hiërarchie het tweede schip in de vloot, met een bemanning van 192 koppen. Op 24 Juni begonnen drie schepen, waaronder de GRONINGEN, een schijnaanval op het Portugese fort Sao Francisco bij Macao. Door de Portugezen bezig te houden, konden de Nederlandse troepen die op de andere schepen zaten, iets verderop aan land gaan.

Het strand waar de landing zou worden uitgevoerd, werd door slechts 150 man verdedigd; voor de 600 Nederlandse soldaten geen partij. Ze veroverden het strand en trokken met drie lichte kanonnen landinwaarts. Alles leek volgens plan te verlopen, maar toen ze juist binnen het bereik van het grote kanon van de citadel kwamen, trof een schot precies de Nederlandse buskruitvoorraad. Een enorme explosie was het gevolg.

Terwijl de officieren nog twijfelden over doorgaan met de strijd of de aftacht blazen, kwamen de verdedigingstroepen van de stad hen al tegemoet. Ze hadden in de gaten dat de aanval van de GRONINGEN een afleidingsmanoeuvre was. Tot in het water werden de vluchtende VOC-soldaten achternagezeten. De Portugese overwinning was compleet.

Nu de directe aanval op Macao was mislukt, voer men verder naar de Pescadores om met de VOC-vestiging als basis een blokkade uit te voeren voor de Chinese kust bij de rivier Zhangzou. Met vijf schepen moest worden voorkomen dat Chinese jonken zouden uitvaren naar Manilla, de Spaanse haven op de Filippijnen. Dat ging met veel geweld gepaard: dorpen aan de rivier, thuishavens van veel jonken, werden beschoten en geplunderd. De honderden Chinese krijgsgevangenen werden ingezet bij de bouw van het fort op de Pescadores.

Ongerijmd was dat tegelijkertijd moest worden geprobeerd een handelspost te vestigen op Taiwan. De Chinese gouverneur in Amoy had evenwel geen enkel vertrouwen in de agressieve Nederlanders. De vestiging op de Pescadores was de Chinezen al een doorn in het oog en de onderhandelingen liepen op niets uit. Erger nog: de MUIDEN werd in brand gestoken en de ERASMUS kon ternauwernood worden ontzet. In 1624 moesten de Nederlanders daarom hun fort in aanbouw alweer verlaten en vestigden zij zich op Taiwan.

Na vier jaar op de intra-aziatische vaart, hield Bontekoe het voor gezien. Zijn tweede contract liep af en hij gaf te kennen zo snel mogelijk naar het vaderland terug te willen keren. Cornelis Reijersz beschouwde het vertrek van Bontekoe als een groot verlies. De vriendelijke doch vastberaden wijze waarop Bontekoe zijn bemanning leidde, had indruk gemaakt. Reijersz' overredingskracht was niet groot genoeg, en zelfs een verhoging van zijn gage kon Bontekoe niet verleiden om nog een paar jaar bij te tekenen.

Op de tocht van de Pescadores naar Batavia kreeg Bontekoe het opperbevel over het schip GOEDE HOOP. Voor een schipper in dienst van de VOC was dat uitzonderlijk; deze keer moest de koopman de schipper gehoorzamen, in plaats van andersom. Toen Bontekoe in April 1624 in Batavia arriveerde, was de retourvloot van dat jaar al naar Nederland vertrokken. Hij bracht daarom nog bijna een jaar door, varend voor de Javaanse kust, voordat hij als schipper werd aangesteld op de HOLLANDIA.

Op 28 Januari 1625 vertrokken de schepen GOUDA, MIDDELBURG en HOLLANDIA van de rede van Batavia. Cornelis Reijersz voerde het commando over Bontekoe's schip dat een lading van peper, nootmuskaat en porselein vervoerde. Kort na het vertrek raakten de schepen in een tropische orkaan, zoals die op de Indische Oceaan veel voorkomen. De GOUDA verging met man en muis; de MIDDELBURG en de HOLLANDIA raakten allebei zwaar beschadigd. De HOLLANDIA wist Madagascar te bereiken, waar Bontekoe in de Sint Luciabaai met grote voortvarendheid en improvisatietalent een lijnbaan en een mastenmakerij opzette. In twee weken was het schip opgeknapt en kon de thuisreis worden voortgezet.

Twee opvarenden deserteerden; Bontekoe veronderstelde dat zij door Madagassische vrouwen verleid waren. Ook Cornelis Reijersz bleef achter, begraven onder een 'lustigen groenen boom'. Hij was op 21 April overleden.

De HOLLANDIA passeerde Kaap de Goede Hoop zonder de Tafelbaai binnen te lopen. In plaats daarvan zeilde Bontekoe door naar het eiland Sint Helena om de voorraden aan te vullen. Een Portugees schip dat daar lag, verhinderde de Nederlanders om aan land te gaan. Daardoor was Bontekoe genoodzaakt door te varen. Uiteindelijk ging de HOLLANDIA Op 13 Oktober bij de Zuidierse haven Kinsale voor anker.

De bewindhebbers in Nederland zagen liever dat schepen op de thuisreis geen Engelse of Ierse kustplaatsen aandeden, want dat werkte smokkel in de hand. De bemanning verlangde na zoveel maanden op zee echter naar vaste grond onder de voeten.

Bontekoe had grote moeite zijn mannen weer aan boord te krijgen en moest tenslotte de schout van de stad inschakelen. Die liet de waarden en waardinnen, bij wie de Nederlanders steeds hogere drinkschulden maakten, weten dat de schipper niet meer dan zeven shilling van iedere rekening zou betalen. Dat hielp: binnen de kortste keren stonden alle bemanningsleden op straat, en hadden ze alleen nog hun schip om naartoe te gaan. Een paar mannen bleven in Ierland achter. Zij hadden er een vrouw gevonden en waren snel getrouwd. Met een enigszins geslonken bemanning, maar met bijna alle ingescheepte lading nog aan boord, arriveerde de HOLLANDIA Op 16 November 1625 op de Vlissingse rede. Daar nam Bontekoe ontslag uit VOC-dienst en keerde hij terug naar Hoorn.

Later bleek dat ook de MIDDELBURG gezonken was, na een gevecht tegen de Portugezen bij Sint Helena.

 

Bibliography and Sources:

Bruijn, J.R., Gaastra, F.S., Schöffer, I. Dutch-Asiatic Shipping In The 17th and 18th Centuries (3 Vols). The Hague, 1979, 1987

Bostoen, Karel. Daalder, Remmelt. Roeper, Vibeke. Verhoeven, Garrelt. Wildeman, Diederick. Bontekoe. De schipper, het journaal, de scheepsjongens. Zutphen, 1996